Jochen Gerner — L’inondation (2016)

Onder de noemer Post-Comics organiseert docent Sébastien Conard dezer dagen een reeks lezingen en een tentoonstelling en stelt hij daarnaast een publicatie voor. Met de term zoekt hij een aantal nieuwe praktijken in kaart te brengen. Zeer opmerkelijk daarbij is de quasi-terughoudende manier waarop die publiek wordt gemaakt. Verwacht geen daverend manifest maar een aftastend evenwicht tussen te strakke definities en vrijblijvende betekenissferen. (Tekst: Régis Dragonetti)

In de tweede akte van een van Shakespeares bekendste tragedies wandelt een zekere Juliet het balkon op en spreekt tot zichzelf volgende woorden:

What’s in a name? That which we call a rose
By any other name would smell as sweet;

Laat ons deze roos — op gevaar Juliets poezelige handjes open te halen — eens ongegeneerd uit de context rukken en ons afvragen of die echt wel even lekker zou ruiken onder een andere naam. De Zwitserse taalkundige Ferdinand de Saussure knikt natuurlijk van ja en stipt andermaal aan dat het verband tussen betekenaar en betekenis volstrekt arbitrair is. Het woord ‘roos’ heeft in wezen evenveel talent om de tulp aan te duiden, als het woord ‘tulp’ om een roos aan te duiden. Tot daar de wel gedefinieerde categorieën van het structurele niveau, want zoals gewoonlijk pakt de echte wereld een pak modderiger uit. Neem de woorden ‘rood’ en ‘roos’ in beschouwing. Hoewel niet eenduidig etymologisch verwant (in tegenstelling tot ‘roos’ en ‘roze’), lijken ze sterk op elkaar. Bovendien is de combinatie ‘rode roos’ danig gebruikelijk, dat de begrippen als het ware op elkaar zijn afgegaan. Niet toevallig zullen de meesten onder ons inderdaad spontaan aan een rode roos gedacht hebben. Google alleszins wel. Nochtans was de roos die we daarjuist uit Juliets handen hebben getrokken een gele, zoals die uit het gedicht van Jorge Luis Borges aan de Kunstenbibliotheek.

Nog iets. Het kan misschien triviaal lijken, maar de roos, of althans die ontelbare en veelkleurige bloemen als dusdanig bekend, hebben tenminste een naam. Dat kunnen we niet van alle fenomenen beweren. De zone in het midden van een rozenblad heeft geen specifieke naam, hoewel ze bestaat. Het gevoel ooit een roos te zijn geweest heeft geen specifieke naam, hoewel het… denkbaar is. De wereld verandert en zo ook de taal. Meestal gebeurt dat langzaam, maar op het gebied van woordenschat kan het snel gaan. Neologismen zijn als paddenstoelen. Ze steken plots de kop op. Nu is elk woord in zekere zin een inperking. Het geeft een grens aan, zondert iets af in de werkelijkheid en maakt het daardoor benoembaar. Of die inperking positief of negatief is hangt af van hoe men ernaar kijkt. Een woord kan dingen verduisteren of er juist een licht op werpen. Het is drager van associaties, die zowel gewenste als ongewenste kunnen zijn. Juliet mag dus zeggen wat ze wil, het ene woord is weldegelijk welriekender dan het andere.

Linh Dong — Tentoonstellingsontwerp BOEKS

Bovenstaande is uiteraard gesneden koek voor een theoretisch onderlegd docent als Sébastien Conard. Het verklaart de omzichtigheid waarmee hij en zijn collega’s het neologisme ‘post-comics’ in het leven roepen. Wie de visieteksten leest, merkt een mix van enthousiasme en terughoudendheid. Enerzijds is er een zekere weerwil de bakens inhoudelijk niet ver genoeg uit te zetten, anderzijds hoeden de schrijvers zich voor bepaalde ongewenste bijklanken. In bepaalde vaktijdschriften werden al eens vraagtekens geplaatst bij de nieuwerwetse stroming. ‘La BD est-elle devenue intello?’ vroeg een auteur zich vorig jaar nog luidop af. Post-comics, zo verzekert Conard, is niet zomaar een synoniem voor de abstracte strip, en evenmin is het enkel een intellectuele variant van een zogenaamd populair medium.

Volgens professor Jan Baetens die de inleiding schreef van de publicatie, is het verschil tussen comics en post-comics eerder een kwestie van status dan van stijl, techniek of narratief model. Van belang is de verbrede omgang met het stripmedium, een verschuiving van werk naar praktijk, waarbij heel wat meer facetten van het productieproces in acht kunnen worden genomen: financiering, verdeling, verkoop, toe-eigening, analyse, canonisering, herwerking… Verder dicht Baetens de post-comic een bemiddelende functie toe tussen verschillende artistieke velden, die tot een verdere openplooiing kan leiden van wat zich ooit tot strip en graphic novel beperkte. Vergelijk het met wat Rosalind Krauss voor sculptuur heeft gedaan. Het veld verruimen door categorieën in het leven te roepen die een aantal voorwaarden voor sculptuur in zich dragen, maar er toch niet geheel mee samen vallen.

Strips maken natuurlijk al langer deel uit van het ‘palet’ van beeldende kunstenaars. Neem Ion Grigorescu bijvoorbeeld, wiens retrospectieve nog niet zo lang geleden plaats vond in KIOSK, nam er in het begin van zijn carrière zijn toevlucht toe. In het geval van post-comics gaat het echter om een expansie, die vertrekt vanuit het medium zelf en daar dus iets van meedraagt: humor, zelfreflectie, de spanning tussen het seriële en het sequentiële, een invraagstelling van het grafisch narratieve… Alle makers die in het boek voorkomen, hebben een achtergrond in het traditionele medium van de strip of de graphic novel.

Tom Lambeens — Front Back (2009)

Waar het voorvoegsel ‘post’ opduikt, is niet zelden met een vorm van verwerping aan de orde. Dat is hier allesbehalve het geval. De genealogische banden worden integendeel net in de verf gezet. Sterker nog, Sébastien Conard meent dat zelfreflectie al in de vroegste dagen van het medium aanwezig was. Daarvoor haalt hij onder meer de bekende episode aan uit Winsor McCay’s reeks Little Sammy Sneeze, die op 24 september 1905 verscheen in de New York Herald. Kleine Sammy niest er zijn kadertje aan gruzelementen, een onbewust symbolische daad. Met post-comics verklaren Conard en co het stripmedium dus niet zozeer als voorbij, maar ondernemen ze een poging onze blik voorbij het vierkant te richten.

In steen gebeiteld staat de term post-comics trouwens allerminst. Conard vergelijkt hem met een tijdelijk paraplu, waaronder een aantal praktijken worden samengebracht. Waar die paraplu dan belandt en of hij lang zal meegaan, dat lijkt hij aan de nukken van het lot over te laten. Of om het met onder meer Deleuze te stellen: aan een volk dat nog moet komen.

PROGRAMMA

1. lecture and feedback on Comics, illustration and panorama’s by Felipe Muhr @ KASK Grafiek, Kunsttoren on Wednesday 19.02.2020–9h-12h.

2. workshop Conceptual Comics by Ilan Manouach @ KASK Grafiek, Kunsttoren on Wednesday 04.03.2020–9h-12h.

3. KASK-lecture (related to) Post-Comics by Tom Lambeens @ KASK Cirque, Cloquet entrance on Thursday 19.03.2020–20h.

4. opening 1m3 by Ilan Manouach and Sébastien Conard @ KASK main hall, Pauli entrance on Thursday 26.03.2020–16h.

5. presentation of the Post-Comics publication + opening exhibition by Linh Dong @ BOEKS, KASK Library on Thursday 26.03.2020–19h.

6. performance by Olivier Deprez @ BOEKS, Kunstenbibliotheek on Friday 03.04.2020–15h.

7. finissage of the Post-Comics exhibition @ BOEKS, Kunstenbibliotheek + opening of the Post-Comics/Post-Practices exhibition by Bachelor students of Graphic Design, Printmaking and Illustration @ Kunstenbibliotheek, the ‘Cisterne’, on Thursay 30.04.2020–19h.

* Between May and September 2020, students, teachers and others participants of the Post-Comic project and the related Project Studio for Graphic Design will elaborate on the notion of ‘post-practice’ by means of an online platform (see KASK- & BOEKS-sites further on.)